Komünist Devrim
   Nederlands                                  YAŞASIN KOMÜNİST ENTERNASYONALİZM!  February 21 2019 13:11:21   
   Açılış_sayfanız_yapın  Sık_Kıllanılanlara_Ekle

   Ana Sayfa
   Yazılar/Broşürler
   Görüşler
   Komünist Hareketten
   Devrimci Basından
   Sol Hareketten
   Felsefe
   Katkılarınız
   Arşiv
   Sitede Ara
   Bağlantılar
   İletişim

English
   Home
   Opinion
   Revolutionary Press
   Left Movement
   Philosophy
   Site search
   Web links
   Contact



DE NIEUWE ‘SOCIALE KWESTIE’ IN NEDERLAND (A.H. YALAZ)
een verkennend onderzoek naar armoede en armoede bestrijding

Inhoud

Voorwoord

Inleiding

Wat wordt onder de kapitalistische maatschappij verstaan?
Wat dient onder de economische, sociale en politieke ongelijkheid
te worden verstaan?
Wat wordt onder de ‘moderne armoede’ verstaan?
Wat dient onder de armoedebestrijding te worden verstaan?

Conclusie

Literatuur



Voorwoord

Al heel lang ben ik geïnteresseerd in de verdelingsproblematiek in de kapitalistische maatschappij. Ik ben een tegenstander van het kapitalisme, de op de private en collectiefkapitalistische eigendom van de productiemiddelen gebaseerde sociale arbeidsverdeling die ik als de fundamentele oorzaak van de economische, sociale en politieke ongelijkheden beschouw. Ik wil alle maatschappelijke ongelijkheden zien verdwijnen. Daarom wil ik onder andere mijn inzicht in de verdelingsproblematiek vergroten en verdiepen.

Als een maatschappelijk probleem heeft armoede te maken met de verdeling van de maatschappelijke welvaart. Daarnaast is het armoedevraagstuk actueel. Daarom heb ik de 'moderne armoede' als het thema van mijn werkstuk gekozen.

A.H.Yalaz
28 juni 1997


Inleiding

Een van de meest besproken thema's wat betreft de maatschappelijke problemen is de armoede, met name de zogenoemde moderne armoede. Armoede is een omstreden begrip. Er is sprake van een veelheid met betrekking tot de benadering en de definitie van armoede. Er wordt gesproken van oude en nieuwe armoede, absolute en relatieve armoede. Verschillende aspecten van de armoede (financiële, sociale en culturele) worden besproken.

Door dit klein onderzoek wil ik te weten komen of een succesvolle armoedebestrijding mogelijk is zonder bestrijding van de structurele ongelijkheden die inherent zijn aan de kapitalistische maatschappij. Voor een goed begrip van de moderne armoede acht ik het van wezenlijk belang inzicht te krijgen in de huidige economische, sociale en politieke verhoudingen in de steeds ingewikkelder wordende samenleving. Het meer inzicht krijgen in het ontstaan en de verschijningsvormen van de moderne armoede en de bestrijding daarvan vormt mijn kennisbelang.

Op basis van het voorafgaande wordt de volgende vraagstelling geformuleerd: Is een succesvolle armoede bestrijding mogelijk zonder bestrijding van de structurele economische, sociale en politieke ongelijkheden die inherent zijn aan de kapitalistische maatschappij? Door beantwoording van de volgende deelvragen heb ik geprobeerd zo duidelijk mogelijk een antwoord te geven op de vraagstelling:
  1. Wat wordt onder de kapitalistische maatschappij verstaan?
  2. Wat dient onder economische, sociale en politieke ongelijkheden te worden verstaan?
  3. Wat is de 'moderne armoede'?
  4. Wat dient onder armoedebestrijding te worden verstaan?
Wat wordt onder de kapitalistische maatschappij verstaan?

Het ontstaan van de sociale klassen en lagen, dat wil zeggen de klassenmaatschappij valt samen met het ontstaan van de sociale arbeidsverdeling. Sommige sociale klassen en klassefracties eigenen zich de surplusproductie toe die door de andere sociale klassen en lagen geproduceerd wordt. Met andere woorden, het ontstaan van de sociale arbeidsverdeling betekent het ontstaan van de uitgebuite en uitbuitende verhouding in de maatschappij van de mensen. (1) De productiewijze vormt de economische basis van de maatschappij. Volgens de materialistische opvatting van Karl Marx en Friedrich Engels vormen de economische verhoudingen de materiële basis van de maatschappij. De materiële basis bestaat uit 'productiekrachten' en 'productieverhoudingen'. De historisch materialisten nemen de materiële basis van de maatschappij als de verklaringsbasis van maatschappelijke ontwikkelingen. Daartegenover zoekt het idealistisch standpunt de verklaring van maatschappelijke ontwikkelingen in de verandering van ideeën, van kennis, van cognitieve bindingen (Samenlevingen 1993: 67).

De kapitalistische maatschappij is een type van het sociale leven van mensen dat gebaseerd is op de kapitalistische productiewijze, dus kapitalistische productie- en klassenverhoudingen. De kapitalistische verhoudingen vormen de economische structuur van de kapitalistische maatschappij. In essentie worden de kapitalistische verhoudingen door twee elementen gekenmerkt: het particulier en/of collectiefkapitalistische eigendom van de productiemiddelen en de arbeidersklasse als de verkoper van haar arbeidskracht. Naast de 'eigenaren' van de productiemiddelen (kapitalistische klasse) en de eigenaren van de productiekrachten (arbeidersklasse) zijn er verschillende maatschappelijke lagen en groepen, zoals kleinburgerlijke economische krachten, boeren, ambtenaren en dergelijke. Over het ontstaan van de twee fundamentele klassen van de kapitalistische maatschappij schrijft de Nederlandse socioloog Nico Wilterdink:
Er vormt zich een welvarende, machtige en betrekkelijk onafhankelijke ondernemersklasse of bourgeoisie: een groepering mensen die kapitaal (...) bezitten, daarmee handel drijven en productie organiseren (...)
Als tegenhanger van de ondernemersklasse vormt zich een klasse van arbeiders: mensen die zelf geen productiemiddelen bezitten en hun inkomen ontlenen aan loon in ruil voor arbeid, verricht in opdracht en onder toezicht van ondernemers. (...) (Samenlevingen 1993: 55).
De kapitalistische maatschappij is een dynamisch verschijnsel. Naarmate de productietechnologie en de organisatie van het productieproces, dus de productieverhoudingen veranderen, verandert de klassenstructuur van de maatschappij. De klassenstructuur van de kapitalistische maatschappij en klassenverhoudingen zijn ingewikkelder geworden in vergelijking met de periode van de industriële revolutie en het eerste deel van de twintigste eeuw. Vooral na de Tweede Wereldoorlog vonden zeer grote veranderingen plaats. In de hoogontwikkelde kapitalistische landen wordt er gesproken van ' de overgang van een industriële naar een postindustriële maatschappij of informatiemaatschappij' (Wilterdink in Samenlevingen 1993: 72). Bijvoorbeeld in Nederland verandert de samenstelling van de beroepsbevolking drastisch. (2) Het niet verrichten van fysieke arbeid, ooit grotendeels aan een elite voorbehouden, is steeds massaler geworden en daarmee steeds minder een teken van hogere status. (1993: 72).

Ondanks alle economische ontwikkelingen en steeds verdergaande sociale stratificatie zijn de huidige hoogontwikkelde Westerse samenlevingen nog altijd 'industrieel' te noemen (1993: 74). De klassenstructuur van de kapitalistische maatschappij en klassenverhoudingen zijn complexer dan hier geschetst is. Sinds haar ontstaan is de kapitalistische bourgeoisie, net als het kapitalisme, ook veranderd. Het is allang niet meer de klasse van ondernemers van de 19e eeuw die zich persoonlijk met het productieproces bemoeien. Het kapitaal, met name het grootkapitaal ofwel het monopoliekapitaal, heeft in haar dienst een leger van professionals, managers. Het proletariaat verandert ook. Het is niet meer de klasse van de 19e eeuw. Vooral in de hoogontwikkelde kapitalistische landen is de arbeidersklasse een sterk gedifferentieerd klasse geworden. In die landen vooral heeft een klein percentage van de arbeidersklasse, met name de bureaucratische en technocratische elite, meer dan haar ketenen te verliezen. De klassenstructuur van de kapitalistische maatschappij en de klassenverhoudingen zijn complexer geworden, maar wat betreft productie- en klassenverhoudingen hebben we in essentie nog steeds met dezelfde maatschappij te maken. De fundamentele tegenstelling tussen arbeid en kapitaal blijft bestaan. Het klassekarakter van de huidige maatschappij is te vergelijken met dat van de maatschappij van de 19e eeuw. Dit is echter een onderwerp apart. (3)

Zonder een goed begrip van de rol van de staat in de kapitalistische maatschappij vind ik het niet mogelijk om de kapitalistische maatschappij goed te begrijpen en te analyseren. Het ontstaan van de sociale arbeidsverdeling, dus het ontstaan van de sociale klassen valt samen met het ontstaan van de staat.Dat betekent dat het ontstaan van de staat het resultaat van de sociale arbeidsverdeling is. Het toeëigenen van de surplusproductie maakt het mogelijk dat een klein groep mensen de tijd heeft om algemene of gezamenlijke functies te kunnen vervullen. Behalve een handjevol mensen wordt de bevolking uitgesloten van de deelname aan de vervulling van de gezamenlijke functies, met name de politieke functies. In de nieuwe sociale omstandigheden vereist het vervullen van de gezamenlijke functies een afzonderlijke organisatie: de staat. Het is een dictatuur ofwel dwingende macht. Het maakt niet uit of het om de zogenaamde verzorgingsstaat gaat. Als georganiseerd geweld en als een politieke organisatie is de staat een instrument in de handen van de sociale klassen en lagen die zich de surplusproductie toeëigenen. In Samenlevingen constateert de Nederlandse socioloog Ton Zwaan dat 'het geweldsmonopolie van de staat' 'het meest fundamentele kenmerk van staten' is (1993: 96).

In de kapitalistische maatschappij is het de kapitalistische bourgeoisie die zich de surplusproductie toeëigent. Daarom is de staat in de kapitalistische maatschappij, ondanks alle ideologische tegengeluiden, een instrument van de kapitalistenklasse. De burgerlijke staat is in essentie een machine ter bescherming en bevordering van de belangen van deze klasse. Door middel van de staat verdedigt de moderne bourgeoisie haar klassebelangen. (4) De kapitalistische staat beschermt de kapitalistische eigendomsverhoudingen, met name het privé-bezit van productiemiddelen. De staat is de belangrijkste acteur in de klassenstrijd en een arena van klassenstrijd tussen verschillende sociale klassen en andere sociale krachten, maar met name tussen kapitaal en arbeid. De burgerlijke staat heeft onder andere ook de functie van bemiddelaar met betrekking tot de conflicten tussen de afzonderlijke kapitalisten. Het opereert binnen bepaalde historisch-maatschappelijke verhoudingen. Het kan niet volstaan met het beschermen en verdedigen van de dominante klasse of klassefracties. Daarom moet de staat zich ook legitimeren en doen alsof het boven de klassenstrijd staat.

Wat dient onder economische, sociale en politieke ongelijkheid te worden verstaan?

De kapitalistische maatschappij kenmerkt zich door de economische ofwel de materiële, sociale en politieke ongelijkheden. In de kapitalistische maatschappij vormen de kapitalisten, als 'eigenaren' van de productiemiddelen, de bevoorrechte klasse. Ze eigenen zich het leeuwendeel van de maatschappelijke merkproduct toe. Met andere woorden, er bestaat een economische ongelijkheid tussen verschillende sociale klassen en lagen. Dankzij de kapitalistische productiewijze, dus kapitalistische productie- en klassenverhoudingen, worden alle vormen van ongelijkheid voortdurend gereproduceerd. Naast de ongelijkheid in economische machtsverhoudingen tussen de kapitalistische klasse en de arbeidersklasse bestaan economische ongelijkheden ook tussen andere sociale klassen, klassefracties en sociale lagen. Wat betreft economische ongelijkheid is het begrip arbeidsmarkt van belang. De verschillende groepen van loon- en salarisafhankelijken hebben variërende kansen op de arbeidsmarkt. (5)
De kansen van de aanbieders van arbeid op de arbeidsmarkt variëren zeer sterk, al naar gelang hun opleiding, hun milieu van herkomst, hun woonplaats, hun leeftijd, sekse en etnische identiteit - kenmerken die onderling ook weer nauw samenhangen. Sommige groeperingen hebben door combinaties van gunstige kenmerken een voorsprong, andere ondervinden specifieke nadelen. (...) (Nico Wilterdink in Samenlevingen 1993: 79).
Om de economische ongelijkheid beter te begrijpen moet de werkloosheid in discussie gebracht worden. Wilterdink constateert dat ongelijkheid van kansen op de arbeidsmarkt wordt mede door de omvang van de werkloosheid bepaald (In Samenlevingen 1993: 80). Als een van de onveranderlijke kenmerken van het kapitalisme verslechtert de werkloosheid de economische positie van de arbeiders en andere loon- en salarisafhankelijken, met name de positie van degenen met een laag opleidingsniveau. In handen van de kapitalisten en hun managers is de werkloosheid, onder andere, een mechanisme om de lonen laag te houden en om de mensen tegen elkaar te spelen.

Zoals Reich constateert 'de verschillen in inkomen en bezit zijn nog steeds groot en in de loop van de jaren '80 in Westerse samenlevingen (...) zelfs weer wat groter geworden (...)' (geparafraseerd door Wilterdink in Samenlevingen 1993: 201). Over de groter wordende materiële ongelijkheid schrijft Wilterdink:
(...) Terwijl de economische groei, industrialisering en - in samenhang daarmee - uitbreiding van de sociale zorg vanaf de vorige eeuw op de langere termijn leidden tot een vermindering van sociaal-economische ongelijkheid, is sinds de jaren '80 een tegentendens waarneembaar: geringe of afwezige economische groei, deïndustrialisering, omvangrijke werkloosheid en, in verband daarmee, druk op overheden om te bezuinigen op sociale uitkeringen hebben bijdragen tot een vergroting van de ongelijkheid. (1993: 201).
Geconstateerd kan worden dat de ongelijke inkomensverdeling in de laatste twee decennia, met andere woorden in de tijd van dominante neoliberalisme, erger geworden is.

Ongelijkheid met betrekking tot de toegang tot de economische middelen leidt tot sociale ongelijkheid. De bezittende klassen en betrekkelijk bevoorrechte sociale lagen en groeperingen (een klein minderheid) hebben meer macht ('het vermogen om het gedrag van anderen met behulp van sancties (beloningen of straffen) te beïnvloeden') (Wilterdink 1993: 191) en sociale prestige en sociale privileges in vergelijking met de overgrote meerderheid van de bevolking. Het is een feit dat sociale ongelijkheid een fundamenteel kenmerk van de klassenmaatschappij is. Het betreft de sociale arbeidsverdeling, de ongelijke klasseposities ten opzichte van bezit van de productiemiddelen, de ongelijkheid in het onderwijs, de sociale ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.
(...) In de meest ruime en letterlijke zin omvat 'sociale ongelijkheid' alle sociale verschillen, alle situaties waarin mensen een verschillende sociale positie innemen. Maar zowel in het spraakgebruik als in de sociale wetenschappen denken we bij 'sociale ongelijkheid' toch aan iets specifiekers: aan hiërarchische sociale verschillen, aan verschillen die in termen van 'hoger' en 'lager' kunnen worden uitgedrukt. (...)

(...) Sociale ongelijkheid kunnen we nu kortweg omschrijven als verschillen in macht en daarmee verbonden sociale privileges." (Wilterdink in Samenlevingen 1993: 190).
Er bestaat een interactie tussen de economische, sociale en politieke bindingen. (6) De economische en de sociale ongelijkheid leiden tot politieke ongelijkheid. De kapitalistenklasse en andere burgerlijke economische en sociale krachten hebben het vermogen om de bestaande economische en sociale verhoudingen te handhaven en de staatsactiviteiten te beïnvloeden in vergelijking met de arbeidersklasse en andere uitgebuite sociale lagen en groepen. Met andere woorden, de economische en sociale machthebbers zijn tegelijkertijd de politieke machthebbers. Om de bestaande klassenverhoudingen te handhaven of te veranderen zijn de beïnvloeding van de staat en de staatsinterventie onmisbaar. Het is een feit dat, wat betreft de klassenverhoudingen, de in economisch opzicht machtigste klassen, klassefracties en groeperingen meer politieke middelen hebben om de status quo te handhaven en de kapitalistische staatsorganen te beïnvloeden. Er is sprake van vervlechting van de civiele en militaire staatsbureaucratie met de klassebelangen van de economische machthebbers. Daarnaast bestaat er een ideologische en culturele verwantschap tussen de kapitalistenklasse en de staatsbureaucratie. Het moet benadrukt worden dat de economische machthebbers, onder andere, een geweldsmonopolie hebben. De uitgebuite en onderdrukte klassen en lagen van de maatschappij hebben de 'gelijke' politieke rechten net als de uitbuitende klassen. In theorie kan het volk politieke rechten hebben, maar in de maatschappij van de economische en sociale ongelijkheid is er alleen sprake van schijn of van formeel politieke gelijkheid. De massa's der bevolking zijn werkelijk uitgesloten van het politieke besluitvormingsproces.


Wat wordt onder 'moderne armoede' verstaan?

Het begrip armoede is een omstreden begrip. Er zijn verschillende benaderingen en definities daarvan. Armoede is een complex verschijnsel. Het heeft zowel economische als sociale en culturele dimensies. Ik ben van mening dat het ontstaan van de problematiek van moderne armoede en de economische ontwikkelingen van de laatste twee decennia onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Armoede betreft de inkomensproblematiek. Vanaf de crisis van 1974 en vooral sinds de jaren tachtig verergert de ongelijke inkomensverdeling in Nederland. Godfried Engbersen constateert:
De blijvende bijstandsafhankelijkheid van grote groepen burgers en het verlies aan koopkracht van deze groepen hebben het vraagstuk rond armoede weer actueel gemaakt. (In De Verdeelde Samenleving 1993: 125).
Volgens Engbersen en Van der Veen kunnen we twee belangrijke benaderingen onderscheiden. '(...) De eerste benadering is de hard-boiled-traditie' ofwel 'de basic-needs approach'. Deze benadering is gericht op 'het ontwikkelen van absolute definities van armoede met behulp van objectieve criteria.' De basic-needs approach 'is gebaseerd op het vaststellen van een minimum consumptiepakket, waarvoor een bepaald minimuminkomen noodzakelijk is.' In deze benadering staat 'een biologisch bestaansminimum' centraal. In de tweede benadering staat 'een cultuurgebonden bestaansminimum' centraal. '(...) Het armoedebegrip wordt ingeruild voor het begrip relatieve deprivatie'. In deze visie moet armoede ' begrepen worden in relatie tot het welvaartspeil van een bepaalde samenleving' (De Verdeelde Samenleving 1993: 126). Wat betreft de kritiek op beide benaderingen constateren Engbersen en Van der Veen:
(...) In de eerste benadering dreigt men te veel voorbij te gaan aan actuele maatschappelijke omstandigheden. (...) In de tweede benadering daarentegen is de elasticiteit van het armoedebegrip vrij groot. (...) (1993: 126).
Wat betreft "de bepaling van een 'armoedegrens' kunnen een subjectieve en een objectieve benadering worden onderscheiden":
In de subjectieve benadering wordt een relatie gelegd tussen het inkomen van individuen en hun waardering van dit inkomen. Inherent aan een dergelijke benadering is het relatieve karakter ervan. (...) Kenmerkend voor deze benadering is dat armoede moet worden opgevat als een relatief en cultuurgebonden begrip en dat het individu de beste rapporteur is van zijn eigen welvaartsgevoel. Anders geformuleerd: arm zijn mensen die zich arm voelen. (...) (1993: 127).
In de objectieve benadering wordt de mening van de betrokkenen buiten beschouwing gelaten. Tegen de subjectieve benadering pleit C. Wiebrens 'voor een objectieve - en dus relatieve - benadering:" (...) Wiebrens kiest voor een 'beleidsmatig minimum' als ondergrens en wel het netto-inkomen voor een echtpaar zonder kinderen krachtens de Algemene Bijstandswet. (...)" (In De Verdeelde Samenleving 1993: 129).

Engbersen en Van der Veen zijn van mening dat wat armoede precies inhoudt een waardeoordeel impliceert en de vaststelling van de armoedegrens een politieke zaak is (1993: 130). Kees Schuyt constateert dat armoede inderdaad relatief is 'naar tijd, plaats en gehanteerde maatstaf' (In Moderne Armoede 1987: XI).

Wat betekent 'moderne armoede'? Volgens Engbersen en Van der Veen 'komt de materiële problematiek tot uitdrukking' in het begrip 'armoede' 'waarmee de minima kampen'. "(...) het adjectief 'modern' staat voor de gewijzigde maatschappelijke omgeving."
(...) Armoede in de Nederlandse samenleving moet worden begrepen in relatie tot de ontwikkelde verzorgingsarrangementen (De Swaan 1982) en in relatie tot gewijzigde gemeenschapsstructuren en sociale bindingen tussen mensen. (...) (1987: 165).
Over de beschrijving van moderne armoede in de Nederlandse samenleving schrijft Engbersen:
In dit hoofdstuk wordt het begrip moderne armoede gehanteerd om de aard van bestaansonzekerheid in de Nederlandse verzorgingsstaat nader aan te duiden. Het adjectief 'modern' staat voor de gewijzigde maatschappelijke omgeving. Armoede in de Nederlandse samenleving moet vooral worden begrepen in relatie tot de ontwikkelde verzorgingsstaatarrangementen en gewijzigde gemeenschapsstructuren. Moderne armoede kan globaal worden beschreven als de structurele uitsluiting van burgers van maatschappelijke deelname, die gepaard gaat met permanente afhankelijkheid van de overheid. (In De Verdeelde Samenleving 1993: 134, 135).

Volgens Wilterdink gaat het niet om de absolute armoede -'een tekort aan voor het fysieke voortbestaan noodzakelijke middelen' in geval van de 'nieuwe armoede', 'maar om relatieve en subjectief beleefde armoede; in sociologische termen gaat het om relatieve deprivatie: de ervaring bepaalde zaken te ontberen in vergelijking met anderen (de zgn.
referentiegroep).' (In Samenlevingen 1993: 208).

Volgens Gerard Oude Engberink en Bob Post wordt het woord armoede 'in het politieke debat in dit land niet dan met enige gêne uitgesproken'. Ze kritiseren het gebruiken van de termen 'relatieve deprivatie' en 'bestaansonzekerheid' om de armoede aan te duiden.
In de kern van de zaak ontwijkt men bij het gebruik van deze termen het antwoord op de vraag, of er hier en nu echt armoede bestaat onder Nederlandse huishoudens of categorieën van de bevolking. Iemand die arm is, is zonder enige twijfel bestaansonzeker en relatief gedepriveerd, maar het staat allerminst vast, dat iemand in relatieve deprivatie bestaansonzeker en tegelijk arm is. Want ook een professor, die zich niet het onder professoren gebruikelijke vervoermiddel kan veroorloven, zal zich gedepriveerd voelen in zijn professorale consumeren, maar hij kan moeilijk bestaansonzeker worden genoemd, en arm in de klassieke betekenis van het woord is hij zeker niet. Daarvoor is meer nodig. (1994: 9).
Naar mening van Oude Engberink en Post moet armoede mede gezien worden in het licht van de maatschappelijke veranderingen (1994: 14). Ook Schuyt ziet armoede in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen. Hij sprak van armoede als " 'het resultaat van een
groot aantal problemen in het financiële, sociale, en fysieke vlak, die alle met elkaar en elkaar versterkend, een situatie van armoede kunnen oorzaken' " (aangehaald in Grenzen van armoede 1994: 10).

Oude Engberink en Post zijn van mening dat armoede 'meer dan een kwestie van centen' is. Ze vinden dat 'gebrek aan geld om op aanvaardbare manier mee te doen in de consumptiemaatschappij vormt weliswaar de kern van het probleem'. Maar, volgens hen, heeft
een goede definitie van armoede oog voor de sociale aspecten van de kwestie: 'voor de oorzaken zowel als de gevolgen van het gebrek aan geld (1994: 10, 11). Maar het is een feit dat de dagelijkse basis van armoede wordt gevormd door gebrek aan geld:
'Al is armoede essentieel een sociaal feit, de dagelijkse basis ervan wordt gevormd door gebrek aan geld, om de dingen te doen die men, zelf gewoon vindt of door anderen (de huisbaas, het energiebedrijf etc.) van een doorsnee burger worden verwacht. (1994: 19).
B. M. S. van Praag, A. Bispo en P. J. A. Stam omschrijven armoede als 'materiële deprivatie' (1993). 'Armoede is een gevoelstoestand, niet alleen bepaald door materiële, maar ook door culturele en sociale factoren; armoede is een multidimensionaal verschijnsel' (1993: 2). In relatie tot de armoede definitie van het Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschap van 19 december 1984 (7) schrijven zij dat het verondersteld dat 'armoede niet alleen afhangt van de objectieve situatie, maar ook afhankelijk is van de algemene levensstijl in een maatschappij; het begrip is ook multidimensionaal en cultuur gebonden.' (1993: 9). In Armoede in Nederland lezen we de volgende over de relatieve en absolute armoede:
Het relatieve karakter van het begrip armoede berust op het feit dat armoedelijnen in de praktijk afhankelijk zijn van de welvaartsverdeling in de gehele maatschappij. Relatieve armoede is ook een verschijnsel van ongelijkheid.

Absolute armoedelijnen worden daartegen bepaald onafhankelijk van het algemeen welvaartsniveau en de welvaartsverdeling in de maatschappij (Engel (1883), Rowntree (1901), Orshansky (1965)). (1993: 9).
Volgens de auteurs van Armoede en participatie manifesteert armoede zich financieel ('schaarste, onvoldoende middelen om rond te komen'); sociaal ('maatschappelijk isolement en afnemende sociale participatie'); cultureel ("afgesloten zijn van de samenleving, 'cultuur van armoede'") (1990: 9). Ze beschrijven armoede als 'onvoldoende deelname aan het sociale verkeer als gevolg van financiële, sociale en persoonlijke factoren' (1990: 9) Ze constateren: 'De beantwoording van de vraag wie 'arm' zijn, is mede afhankelijk van de definities en criteria die worden gehanteerd.' (1990: 9). Ze zijn van mening dat armoede in Nederland een relatief karakter heeft:
(...) Waar gaat het bij armoede om? Is er sprake van absolute armoede, waarbij fysieke bestaansvoorwaarden worden bedreigd, of van relatieve armoede, waarbij de positie van armen in relatie wordt gezien met anderen die het beter hebben? In Nederland blijkt het bij armoede vooral te gaan om de laatste vorm, de relatieve armoede. (1990: 12).
De materiële behoeften zijn niet de enige behoeften van mensen. De kwaliteit van het leven is meer dan bevrediging van de materiële behoeften. De psycholoog A. Maslow constateert 'dat er een opklimmende reeks menselijke behoeften bestaat: eerst streven mensen naar bevrediging van hun fysieke en materiële behoeften, daarna kunnen pas andere, 'geestelijke' behoeften aan bod komen.' (Geparafraseerd door K. Verrips-Roukens in Samenlevingen 1993: 157). Immateriële behoeften, zoals behoeften in de vlakken van onderwijs, gezondheid, cultuur, intellectuele ontplooiing, politiek, milieu en in diverse andere maatschappelijke vlakken moeten ook bevredigd worden. Daarom moeten de immateriële menselijke behoeften in de discussie over armoede worden betrokken. Wat Nederland betreft, in de periode van wat ik de 'ontzuilde burgerlijke democratie' noem, was de belangstelling voor de immateriële waarden zoals vrede, de kwaliteit van het individuele en sociale leven, milieubescherming groot geworden tegenover de materiële waarden zoals materiële welvaart, sociale zekerheid, economische groei.

Tot nog toe zijn vele opvattingen over armoede en 'moderne' of 'nieuwe' armoede hebben de revue gepasseerd. Maar wie zijn de armen in Nederland? Zoals Engbersen reeds constateert kan moderne armoede 'globaal worden beschreven als de structurele uitsluiting van burgers van maatschappelijke deelname, die gepaard gaat met permanente afhankelijkheid van de overheid' (1993: 135). Hij constateert dat 'de gevolgen van deze twee met elkaar samenhangende processen komen naar voren in de zeven kenmerken van armoede.' (1993: 135) Engbersen geeft de zeven kenmerken van moderne armoede weer als volgt: weinig geld; het sociale isolement; het geringe profijt van sommige overheidsvoorzieningen; de verstatelijking van de zorg; de moderne armen vormen een zeer heterogene groep; moderne armoede is geografisch te lokaliseren en de moderne armoede heeft betrekking op de culturele aanpassingmechanismen die armen ontwikkelen in reactie op
hun begrensde mogelijkheden (1987: 135, 136). Geconcludeerd kan worden dat wie zich door de bovengenoemde kenmerken gekenmerkte situatie bevindt arm is. Mensen met de allerlaagste inkomens (de echte minima) zijn de armen. Onder de echte minima worden de langdurige werklozen, de uitkeringsafhankelijken, de arbeidsongeschikten, de
ouderen, de allochtonen, de bijstandsmoeders oververtegenwoordigd. (1993: 131, 134). Over de mensen op het minimum schrijven Oude Engberink en Post:
(...) Het sociaal minimum lijkt als een structurele dimensie te beklijven aan de positie van een groot aantal ouderen, van langdurig werklozen, van een-ouder gezinnen, van arbeidsongeschikten en gehandicapten, van weduwen, en van een bijzonder groot aantal huishoudens van etnische origine. Al deze categorieën hebben tenminste één kenmerk gemeen: ze vormen op de reguliere arbeidsmarkt geen aantrekkelijke partij voor de werkgever. (...) (1994: 28).
Globaal gesproken kan armoede als de continu vermindering van de inkomen beschreven worden. Ik onderscheid twee vormen van armoede: absolute armoede en relatieve armoede. Voor een goed begrip van armoede is het van wezenlijk belang een inzicht krijgen in wat onder de absolute en de relatieve behoeften wordt verstaan. De absolute behoeften zijn de behoeften die noodzakelijk zijn voor het fysieke voortbestaan van de mensen. Bijvoorbeeld het voedsel is een absolute behoefte. Daarom wordt 'een tekort aan voor het fysieke voortbestaan noodzakelijke middelen' (Nico Wilterdink in Samenlevingen 1993: 208) als de absolute armoede beschreven. Maar ik wil benadrukken dat het niet honger hebben en het zich gezonde en voldoende voeden twee aparte zaken zijn. Ik meen dat de kwaliteit van de voeding in de discussie rond armoede gebracht moet worden.

De relatieve behoeften zijn menselijke behoeften die niet noodzakelijk zijn voor het Fysieke voortbestaan. Bijvoorbeeld het naar televisie kijken en het naar vakantie gaan zijn relatieve behoeften. Maar men vindt deze behoeften gewoon of deze behoeften als gewone dingen gezien worden door de maatschappij als geheel. Door de continu relatieve vermindering van het inkomen kunnen deze behoeften niet bevredigd worden. Daarom beschrijf ik de relatieve armoede als de vermindering van het aandeel van de geproduceerde nieuwe waarde dat bijvoorbeeld de arbeiders krijgen.

Een provocerende uitspraak: Naast de relatieve verarming is er sprake van de Absolute verarming in Nederland. Onder het mom van de moderne armoede wordt dit verschijnsel ontkend. Wat is relatieve verarming? De relatieve verarming kan beschreven worden als het voortdurend afnemen van het aandeel van de bepaalde sociale klassen en groeperingen (arbeiders, werklozen, uitkeringsafhankelijken, een groot aantal ouderen, arbeidsongeschikten, gehandicapten, een groot aantal allochtonen, alleenstaande vrouwen met kinderen) in de totale som van het nationale inkomen, terwijl het aandeel van de bepaalde
sociale klassen en lagen (kapitalisten, topmanagers van grote bedrijven, een groot aantal van vrije beroepsbeoefenaren, politici) voortdurend toeneemt.

De absolute verarming kan beschreven worden als directe daling van de levensstandaard van mensen. In Nederland worden mensen niet op het fysieke bestaansminimum teruggedrukt, maar de levensstandaard van een aanzienlijke deel van de bevolking daalt. Er is sprake van absolute verarming in Nederland. Bijvoorbeeld, tussen 1980 en 1986 zijn de reële inkomens van 'de minima' ongeveer 15% gedaald. (Engbersen en Van der Veen 1987: 7), dus een aanzienlijk koopkrachtsverlies van 'de minima'.


Wat dient onder armoedebestrijding te worden verstaan?

Uit het voorafgaande blijkt duidelijk dat zowel de moderne armoede als bestrijding ervan politieke problemen zijn. Hier gaat het om de verdeling van het nationale inkomen en de verdelingsproblemen zijn in essentie politieke problemen. Het is een feit dat de moderne armoede de 'moderne sociale kwestie' wordt. Er bestaat nauw verband tussen de armoedebestrijding en de economische functies van de staat, waaronder de inkomenspolitiek. Zoals Engbersen constateert, is er sprake van 'de structurele uitsluiting van burgers van maatschappelijke deelname' en 'permanente afhankelijkheid van de overheid' (In De Verdeelde Samenleving 1993: 135). Dat wil zeggen dat 'moderne armoede' structureel is geworden, net als de werkloosheid. Over de oplossing van de problemen van 'moderne armoede' constateert Engbersen:
(...) De overheid kan de problemen van 'moderne armoede' echter slechts ten dele via haar inkomensbeleid oplossen. Door de koopkracht van deze groepen te garanderen kan zij de financiële draagkracht van de moderne armen op peil houden, maar een dergelijk inkomensbeleid zal gepaard moeten gaan met andere vormen van overheidsbeleid. Bijvoorbeeld een activerend arbeidsmarktbeleid en een adequaat scholingsbeleid om de permanente bijstandsafhankelijkheid van groepen burgers te doorbreken en om te voorkomen dat nieuwe groepen afhankelijk worden van de overheid. (1993: 138).
Hieruit valt te lezen dat de moderne armoede een politieke probleem is en de Bestrijding ervan een actieve staatsinterventie vereist. De verzorgingsstaat wordt gezien 'als een instrument ter herverdeling van ongelijk verdeelde maatschappelijke kansen' (1993: 118). De doelstellingen van de verzorgingsstaat zijn of waren als volgt: 'De bescherming van individuen tegen de risico's van de moderne industriële samenleving'; 'garantie van minimum inkomen'; 'het verschaffen van voorzieningen die voor ieder mens nodig zijn om in de samenleving te kunnen functioneren'; en 'bevordering van het individuele welbevinden' (Romke van der Veen in De Verdeelde Samenleving 1993: 3). Maar sinds het midden van de tachtiger jaren wordt de afbraakpolitiek van de verzorgingsstaat gevoerd. Erkend moet worden dat onder druk van de steeds sterker geworden internationale economische concurrentie en
het maximaliseren van de winst als doel van het Nederlandse grootkapitaal, met name van de internationale concerns, de afbraakpolitiek van de verzorgingsstaat zal doorgaan. Het
betekent onder andere dat de 'moderne sociale kwestie' erger zal worden, omdat de 'probleemoplosser' zelf in steeds groter wordende problemen zal verkeren.

Met betrekking tot de actuele problemen op de arbeidsmarkt en in de sociale zekerheid constateren Oude Engberink en Post:
(...) de actuele problemen op de arbeidsmarkt en in de sociale zekerheid geen conjunctureel verschijnsel zijn ten gevolge van een voorbijgaande economische recessie, maar een structureel resultaat van fundamentele transformatieprocessen van economische, sociale en culturele aard (...) (1994: 117).
'In het gezicht van ingrijpende veranderingen in de samenleving' bepleiten ze 'naar een nieuw evenwicht' te zoeken 'tussen de eisen van de economische ontwikkeling en de noodzaak van een effectieve sociale protectie van de zwakkeren' (1994: 118). Wat betreft de sociale zekerheid zijn ze van mening dat er een 'beleidsontwikkeling in directe relatie met de locale werkelijkheid' nodig is (1994: 118, 119). Over de eisen van zo'n beleidsontwikkeling schrijven ze:
Beleidsontwikkeling in directe relatie met de locale werkelijkheid eist werkelijke decentralisatie, afbouw van de bestaande verschotting en in de loop van de tijd verworven competenties, maar ook het aangaan van risico, het nemen van verantwoordelijkheid en het ter discussie stellen van de eigen institutie. (1994: 119).
De auteurs van Armoede en participatie beweren dat het beleid ter bestrijding van armoede 'dient te bestaan uit verbetering van de positie waarin mensen zich bevinden'. Daarnaast dient het beleid gericht te zijn 'op het voorkomen dat mensen aangewezen raken of blijven op overheidsondersteuning. Ze constateren: '(...) Armoedebeleid bestaat daarmee eveneens uit stimulansen tot zelfhulp, het bevorderen van eigen verantwoordelijkheid en vergroting van het potentieel van mensen.' (1990: 9). In hun opvatting over de armoedethematiek en het armoededebat worden de economische, sociale en politieke verhoudingen naar voren gebracht:
(...) Armoede hangt immers mede samen met de structuur van de samenleving en die structuur wordt bepaald door de verdeling van taken en bevoegdheden over overheid, maatschappelijke verbanden en burgers.
Deze stellingname is uiteraard verbonden met de visie op de inrichting van de samenleving. Daarmee is dan tevens de politieke dimensie van de armoedethematiek in beeld gebracht. (1990: 13).
Het onlosmakelijk verband tussen economische, sociale en politieke ontwikkelingen en bestrijding van armoede is duidelijk te zien in de opvatting van de auteurs van Armoede en participatie.

Ik denk dat de armoedebestrijding in Nederland de nationale grenzen overschrijdt. Bijvoorbeeld de kosten van de zogenaamde eenwording van Europa hebben aanzienlijk bijdragen aan de verspreiding en verdieping van de moderne armoede in Nederland. De sociale afbraakpolitiek van de Nederlandse staat (lees het monopoliekapitaal) heeft, onder andere, te maken met het voldoen aan de Maastrichtcriteria voor de Europese munteenheid. Daarom moet benadrukt worden dat de armoedebestrijding, in de tijd van moordende internationale kapitalistische concurrentie, internationaal van karakter is geworden.


Conclusie

Het is duidelijk dat armoede een complex verschijnsel is. Het heeft zowel economische als sociale, politieke en culturele dimensies. Daarom is de armoedebestrijding ook een complexe zaak. Armoede heeft te maken met de structuur ofwel organisatie van de maatschappij. De problematiek van de 'moderne armoede' is een gevolg van de kapitalistische productie- en verdelingswijze, dat wil zeggen van de kapitalistische uitbuiting. Daarom kunnen het armoedevraagstuk en de bestrijding ervan niet los gezien worden van de economische en sociale organisatie van de maatschappij. Met andere woorden, armoedebestrijding moet niet los gezien worden van de economische, sociale, politieke en culturele ontwikkelingen en niet alleen van ontwikkelingen in Nederland, maar ook op het internationale vlak, met name op West-Europese vlak. Armoedebestrijding betekent bestrijding van economische ongelijkheid, bestrijding van werkloosheid, bestrijding van sociale ongelijkheden, bestrijding van de verdelingsproblemen en 'last but, not least', bestrijding van de politieke ongelijkheid ofwel bestrijding van de politieke heerschappij van de kapitalistenklasse. Kortom, bestrijding van armoede is bestrijding van het kapitalistische systeem als geheel.

Zonder de alomvattende antikapitalistische strijd is de armoedebestrijding een
symptoombestrijding. Voor een effectieve armoedebestrijding moeten al die ongelijkheden die inherent zijn aan de kapitalistische maatschappij bestreden worden. Zolang er kapitalistische productie- en klassenverhoudingen bestaan, zullen zowel de absolute armoede als de relatieve armoede voortduren. Armoede is een multidimensionaal verschijnsel. Daarom moet de strijd tegen de armoede een multidimensionale strijd zijn. Niet genoeg benadrukt kan worden dat armoedebestrijding hoofdzakelijk een politieke kwestie is, want de politiek in bredere zin de theorie en praktijk is van verschillende sociale klassen, lagen en andere economische, sociale en politieke acteurs met betrekking tot handhaving en verandering van de bestaande economische, sociale en politieke verhoudingen ofwel de klasse- en machtsverhoudingen.


Literatuur

Balkenende, J.P.
1990 Armoede en participatie: beleidsadvies opgesteld door het Sectoroverlegorgaan Sociaal Economisch en Financieel Beleid van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Deventer: Van Loghum Slaterus.

Engbersen, G. & R. van der Veen
1987 Moderne armoede; overleven op het sociaal minimum: een onderzoek onder 120 Rotterdamse huishoudens. Leiden/Antwerpen: H.E. Stenfert Kroese B.V.

Heerikhuizen, B. van en N. Wilterdink (red.)
1993 Samenlevingen. Een verkenning van het terrein van de sociologie. Groningen: Wolters-Noordhoff, derde druk.

Oude Engberink, G. & B. Post
1994 Grenzen van de armoede. Risico's en risicogroepen op het sociaal minimum. Rotterdam: Divosa.

Praag B. M. S. van, A. Bispo & P. J. A. Stam
1993 Armoede in Nederland. Een verkennend onderzoek naar aspecten van armoede en armoedebeleving in Nederland. 's-Gravenhage: VUGA Uitgeverij B.V.

Schuyt K. e.a.
1993 De verdeelde samenleving. Een inleiding in de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat. Tweede herziene druk. Culemborg: Stenfert Kroese EPN.


(1) Onder uitbuiting versta ik de onbetaalde toeëigening van de arbeidsproducten van de ene mens door de andere mens. In de kapitalistische productiewijze wordt de arbeidersklasse uitgebuit door de kapitalistenklasse. De kapitalistische uitbuiting is het verschil tussen de waarde van de arbeidskracht en de geschapen waarde in het consumptieproces van de arbeidskracht. In het productieproces schept de arbeider de waarde die boven de waarde van zijn arbeidskracht ligt. Deze meerwaarde wordt door de kapitalist gratis toegeëigend. De accumulatie van het kapitaal berust op de meerarbeid die verricht wordt door de arbeiders.
(2) Het percentage van de beroepsbevolking werkzaam in de dienstverlening steeg van 44% in 1947 tot 70% in 1991 (1993: 72).
(3)Hoewel de opkomst en spreiding van het aandelenkapitaal over meer eigenaren een zeer belangrijk verschijnsel is, is het nog steeds een feit dat een kleine groep van grote kapitalisten de controle van het economische leven in handen heeft.
(4) In de tijd van de monopolies kunnen we niet van de heerschappij van alle kapitalisten, maar van de hegemonie van een zeer klein deel van de bezittende klassen, namelijk de monopolistische kapitalistische bourgeoisie spreken.
(5) 'Het begrip arbeidsmarkt verwijst naar de afhankelijkheidsverhoudingen tussen grote aantallen mensen in hun hoedanigheid van vragers en aanbieders van betaalde arbeid'. (Nico Wilterdink in Samenlevingen 1993: 79).
(6) In bredere zin dient onder de politiek de theorie en praktijk van verschillende sociale klassen, lagen en andere spelers met betrekking tot handhaving en verandering van de bestaande economische, sociale en politieke verhoudingen in de maatschappij te worden verstaan. In engere zin is de politiek alles te maken met de staat, het overheidsbeleid, de politici, de politieke partijen, de verkiezingen enzovoort. Ik ben voor een brede benadering van de politiek.
(7) " 'Armen zijn mensen, gezinnen of groepen mensen wier middelen (materieel, cultureel en sociaal) zo beperkt zijn dat zij uitgesloten zijn van de minimaal aanvaardbare levenspatronen in de lidstaten waarin zij leven' Schiepers (1989, 1990))." (1993: 1).